Over fietsen, dorst en hongerklop

door: . & rebound

Tijdens de wedstrijd van S1 afgelopen zondag onderbrak de scheidsrechter tot tweemaal toe de wedstrijd voor een drinkpauze. Vreemd eigenlijk, want bij korfbal heb je tijd zat om te drinken als je eigen team in de aanval is. Iemand in het publiek opperde: “de extra pauze is voor de scheidsrechter zelf!”

Onwillekeurig dacht ik terug aan de verjaardagsvisite eerder deze dag. Mijn schoonzoon- en vader verhaalden over hun rit de dag tevoren in de Ronde van Noord-Holland. Zij rijden die al jaren samen. Zó zonovergoten hadden ze het nog nooit meegemaakt; zó weinig wind overigens ook niet. Drinkpauzes waren onontbeerlijk, want de bezwete lichamen leken sterk op die van de renners in de laatste voorjaarsklassieker Luik-Bastenaken-Luik. De zweetrand op het gezicht van winnaar Jungels tijdens het interview na afloop, sprak boekdelen. Iedere wielrenner weet dat je veel moet drinken tijdens een monsterrit, – en eten…

In de beginjaren tachtig wilden mijn jongste broer en ik een rondje IJsselmeer fietsen. We trainden enkele malen per week vanuit de kaasstad in de duinen. Ritjes van 40 kilometer werden opgevoerd naar 70 tot 90. Door het geaccidenteerde duingebied, moest de belasting min of meer hetzelfde zijn als de route die we beoogden. Onder een stralende zon vertrokken we om zeven uur uit ’t Rak in Alkmaar om de weg in te slaan naar het mooie Drommedaris-stadje aan het begin van de dijk. Met een schuine wind tegen was de Houtribdijk een eerste flinke proef. Nog meer windtegen van Lelystad dwars door de polders naar Lemmer, waarna we weer wat beschutting kregen in het Friese Gaasterland. We dronken veel en genoeg, we aten gretig onze meegenomen boterhammen en fruit. We hadden één ding in het vooruitzicht: de Afsluitdijk, want vanaf daar ging de wind ons helpen! Vlak na Zurich aan het begin van de dijk-van-Lely aten en dronken we nog wat, spraken elkaar moed in en begonnen we aan de laatste loodjes. Het liep voortreffelijk. Met ruim vijfentwintig in het uur slechtten we het bolwerk in vijf kwartier. Dwars door de Wieringermeer waanden we ons al thuis en bij Schoorldam wisten we het zeker: prestatie volbracht! Maar toen zei mijn broer plotseling: “Mijn benen doen het niet meer.” We naderden de huizen van Koedijk; nog zeven kilometer te gaan. De klok sloeg zes. Ik zag maar één remedie: ijs. We stopten bij de plaatselijke cafetaria en propten ons vol ijs. De hongerklop verdween hierdoor niet, maar gaf voldoende energie om het laatste stukje te volbrengen, zij het in meer dan een uur. Om half acht meerden we aan ’t Rak…